30 JAAR GALERIE HET NOORDERLICHT
Galerie Het Noorderlicht bestaat dit jaar 30 jaar. Sinds de Veenendaalse veilinghouder Jan Huibers in de zomer van 1995 voor de eerste keer de deuren opende van zijn Domburgse kunsthandel, verwisselden hier vele fraaie kunstwerken van eigenaar. Ieder jaar wordt er een nieuwe collectie gebracht met een verrassend aanbod en een hoge kwaliteit aan kunstwerken.
In 1910 opende Jan Toorop (1858-1928) onder veel belangstelling zijn expositiegebouwtje nabij het Badpaviljoen op de Domburgse duinenrij. Hij was omstreeks 1900 de spil geworden van een kunstenaarskolonie die iedere zomer samenkwam op Walcheren. Er werden ideeën uitgewisseld over schilderkunst, er werd gedineerd en gedronken. Maar bovenal werd er getekend en geschilderd in het dorp, in de duinen, op het strand en aan de zee, en op het boerenland buiten de gemeentegrenzen.
Niet ver van waar Toorop zijn tentoonstellingsgebouwtje liet optrekken, opende Jan Huibers, tot voor kort veilinghouder te Veenendaal, in 1995 de deuren van zijn galerie. Maar in een ongewoon gebouw: het charmante, voormalige gereformeerde kerkje aan de Noordstraat werd voor deze functie geheel verbouwd en ingericht.
Indachtig de traditie die Toorop had ingezet, presenteert de aimabele kunstkenner ieder jaar werken van hoge kwaliteit die vervaardigd zijn door kunstenaars die gelieerd zijn aan de Zeeuwse provincie. Daartoe behoren natuurlijk Toorop zelf, tijdgenoten als Mies Elout Drabbe (1875-1956), met wie Toorop de jaarlijkse tentoonstellingen organiseerde, zijn dochter Charley (1891-1955) en de vele gasten die zij uitnodigden. Onder hen bevonden zich, om er een paar te noemen: Piet Mondriaan (1872-1944), Ferdinand Hart Nibbrig (1866-1915), Lodewijk Schelfhout (1881-1943), Otto van Rees (1884-1957), Jacoba van Heemskerck van Beest (1876-1923), Hendrik Jan Wolter (1873-1952).
Ook de Belgische meesters behoren daartoe. Door zijn toetreden tot de avant-gardistische kunstenaarskring ‘Les Vingt’ in 1886 te Brussel, was Toorop bevriend geraakt met Théo Van Rysselberghe (1862-1926), Henri van de Velde (1863-1957) en William Degouve de Nuncques (1867-1935). Deze kunstenaars staken bij tijd en wijle de grens over om Zeeuwse thema’s te komen verwerken. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, trokken talloze Vlaamse kunstenaars de grens over naar het neutrale Nederland. Ze zwermden uit over de verschillende provincies, maar ook bleven er een aantal dichtbij de grens in Zeeland. Emannuel Viérin (1869-1954) streek neer in Oostkapelle, Reimond Kimpe woonde te Veere, Henri Le Fauconnier (1881-1946) verbleef eerst in Domburg, later te Veere.
Dat betekent dat ook Galerie het Noorderlicht ieder jaar voorziet in een breed aanbod van Nederlandse en Belgische meesters uit de klassiek-moderne periode. Een ieder zal begrijpen dat het bijeenbrengen van een dergelijke collectie een zware opgave is. Daarom heeft Jan Huibers zich sinds enkele jaren voor de Zomer-Salons verbonden met de Gooise kunsthandel Studio 2000. Eigenaar Howard Myers heeft zich niet alleen gespecialiseerd in deze periode, maar is bovendien Toorop-kenner en bezit zo’n honderd werken van deze kunstenaar. Reden te meer om dit jaar in een Domburg een bijzondere tentoonstelling in te richten waar het werk van deze, voor Domburg zo belangrijke kunstenaar, centraal staat.
Maar wat kunt u dit jaar verwachten bij een bezoek aan de jubilerende Galerie Het Noorderlicht? Uiteraard een uitgelezen collectie hoogstaande kunstwerken uit de periode van het modernisme. Naast werken van Jan Toorop kunt u tekeningen en schilderijen aantreffen van Paul Arntzenius (1883-1965), Mies Elout-Drabbe (1875-1956), Maurice Góth (1873-1944), Jan Heyse (1882-1954), Reimond Kimpe (1885-1970), Willem August Knip ( , Albert Saverys (1886-1964), Willem Johannes Schütz (1854-1933), Derk Wiggers (Rudolphe Wytsman (1860-1927), etc.etc.
Jan Toorop
De belangrijkste kunstenaar voor Domburg was zonder twijfel de getalenteerde en veelzijdige Jan Toorop (1858-1928). Geboren in Indonesië, was hij door zijn gebruinde huidskleur en karakteristieke haardos en puntbaard een opvallende verschijning binnen de Hollandse dorpscultuur. Hij had een enorm scherp oog voor vernieuwing in de kunst en maakte zich uiterst snel nieuwe technieken en stijlen eigen. Bovendien was hij een makkelijke kunstenaar in de omgang en hij knoopte eenvoudig vriendschappen aan met vooraanstaande kunstenaars in binnen- en buitenland.
Toch was hij daardoor niet arrogant. Hij kon net zo goed plezier beleven aan goede kunstenaars die een eenvoudig maar eerlijk product leverden. Dat maakte de zomers in Domburg ook zo aantrekkelijk. Avant-garde kunstenaars als Piet Mondriaan, Ferdinand Hart Nibbrig en Jacoba van Heemskerck exposeerden zonder problemen met kunstenaars die zich niet ten doel stelden de kunsten te vernieuwen.
Toorop, die het meest bekend werd door zijn vroege pointillistische stijl, zijn symbolistische Jugendstiltekeningen en zijn heldere luministische werk, richtte zich na 1905 meer en meer op religieuze thema’s. Dat wil niet zeggen dat andere motieven niet meer ontstonden. Hij tekende nog veel in Domburg en omgeving in heldere kleuren, of studeerde naar eigentijdse Zeeuwse modellen. Na 1900 werd zijn tekenstijl echter strakker. Daarin volgde hij de art deco, waarin de golvende lijn plaatsmaakte voor de geometrische vorm en het vlak.
Een tekening waaraan dat goed zichtbaar is, is Jan Toorop Bonen verlezende Boeren te Domburg uit 1904. Het is een tekening van 37 x 55 cm. die door Toorop vlot is opgezet in zwart en gekleurd krijt op papier. De kunstenaar hield ervan de eenvoudige handwerklieden als het ware te betrappen bij hun dagelijkse werkzaamheden. In deze tekening heeft hij dan ook gekozen voor een eenvoudige compositie van twee Domburgse boeren in hun werkkleding. In de wijze waarop hij de haren, de plooien in de kleding en de bonen op de tafel weergaf, kunnen we zien dat hij in deze tijd koos voor een strakke, streepachtige manier van werken.
Frans Smeers
De Brusselse kunstenaar Frans Smeers (1873-1960) startte zijn opleiding als leerjongen bij een decorateur. Hij schreef zich vervolgens in bij de Académie des Beaux-Arts in de Belgische hoofdstad. In 1895 debuteerde hij als mede-oprichter bij de artistieke kring ‘Le Sillon’. Het streven van de kunstenaars was een tegenwicht te bieden tegen zowel het luministisch divisionisme, als tegen de literaire schilderkunst. Ze wilden het realisme herstellen of verder ontwikkelen.
Toch bleek in het begin van de twintigste eeuw dat niet alleen Smeers, maar ook zijn bentgenoten als Alfred Bastien (1873-1955), Armand Apol (1879-1950), Albert Pinot (1875-1962) en Maurice Wagemans (1877-1927), in hun landschappen de verworvenheden van het luminisme adapteerden. Ze werkten vooral in de openlucht in heldere, impressionistische toetsten. Vooral in zijn strandgezichten met figuren, waaronder in zijn Spelende Kinderen op het Strand, kan men Smeers’ kwaliteiten herkennen. Hij zette zijn blonde impressionistische schilderij in lichte kleuren op, in dunne verf, zodat dit het aspect heeft gekregen van een aquarel.
Van 1933 tot 1946 was Smeers aangesteld als leraar aan de academie van Brussel. Werk van hem bevindt zich onder andere in de musea van Brussel, Elsene en Gent.
Henri Houben
De Belgische schilder van landschappen, portretten, figuren en genretaferelen Henri Houben (1858-1931) doorliep zijn opleiding aan de academie voor beeldende kunsten te Antwerpen. Aanvankelijk moest hij van zijn ouders een muziekopleiding, maar richtte op zolder een ‘Atelier de peinture et de musique’ op. Onder de belofte dat hij zijn vioolstudies niet zou verwaarlozen, mocht hij zich dan toch inschrijven bij hoogleraar Karel Verlat.
Met deze leermeester werkte hij mee aan verschillende monumentale muurschilderingen, zoals het panorama van ‘De Slag bij Waterloo’ en een panorama te Moskou. In 1885 werd hij aangesteld als docent aan de Antwerpse Academie.
Hij maakte studiereizen naar Noord-Italië. Terug in België vond hij zijn inspiratie vooral in de Antwerpse havenstad en in de Kempen, waar hij vaak in de omgeving van Geel werkte. In dit landelijke gebied schilderde hij landschappen, vaak met schapen, en koos veelvuldig de boer en zijn paard als thema.
Ook verbleef Houben enige tijd in Nederland. Hier werkt hij vooral in Zeeland en Katwijk. Zijn Visverkoopsters in de Haven te Vlissingen is in deze periode totstandgekomen. Met uiterste precisie heeft Houben de figuren in hun Walchers kostuum weergegeven, terwijl zij met elkaar converseren, op klanten wachten en de vis schoonmaken. Dit zonnige tafereel op groot formaat, plaatste Houben tegen de topografisch juiste setting van Vlissingen. Het is een voorbeeld van het kunnen van deze Belgische meester van monumentale schilderingen. Werk van Henri Houben bevindt zich in de Belgische Staatscollecties en in de verzameling van het Museum van Verviers.
Willem van Konijnenburg
Een belangrijke tijdgenoot van Jan Toorop was de symbolistische schilder Willem van Konijnenburg (1868-1943). Beide kunstenaars hadden dezelfde ontwikkeling ondergaan. Vanuit het impressionisme waren zij gekomen tot een individueel symbolisme. Anders dan Toorop was het symbolisme van Van Konijnenburg klassieker en eerder kunsttheoretisch bepaald. Dat is vooral te zien aan zijn latere werk, waarin geometrische grondvormen een onderliggend patroon aangeven in de voorstellingen.
Toorop en Van Konijnenburg deelden echter hun visie op het kunstenaarschap: zij schatten de artistieke geest hoog in en zagen voor zichzelf een rol weggelegd als leidsman of als priester. Via hun kunst konden zij zo het volk inwijden in de vrijwel onoplosbare levensproblematiek en een oplossing aanreiken in het zijnsvraagstuk. Zo schreef Van Konijnenburg ter gelegenheid van Toorops 60ste verjaardag in 1918: ‘Het kunstenaarschap van Toorop werd in het aesthetisch leven een priesterlijk zijn (…) Liefde bereidde zijn weg naar den tempel van het leven. Zijne kunst, uit liefde en oneindigen eerbied voor het “Al” geboren manifesteert het verhevene, de aesthetische idee en openbaart, in vereeniging met den ethischen en aesthetischen arbeid van de grooten van zijn tijd, de Goddelijke Genade, de Aesthetische Wijsheid.’
Het zal geen verbazing wekken, dat Van Konijnenburg voor zichzelf dezelfde rol zag weggelegd. Dat blijkt ook uit de thema’s in zijn kunst. Vanaf 1908 vervaardigde Van Konijnenburg voorstellingen waarin een centaur figureerde. Deze mythologische halfdieren symboliseerden voor hem de moeizame synthese tussen geest en lichaam. Het is een romantische thema, dat we ook – zij het in een andere vorm – bij Toorop tegenkomen. In de literatuur en in de beeldende kunst wordt het gebruikt als symbool voor de tragische gespletenheid van de menselijke natuur en specifieker nog, voor de kunstenaarsnatuur. Van Konijnenburg hanteerde dit thema tot circa 1915 in zijn werk.
Een thema dat hieraan verwant was, is de St.-Joris en de draak. Dit motief zou hij tot in de jaren twintig hanteren. De achterliggende betekenis van de voorstelling was voor Konijnenburg eerder van algemene aard, dan de traditionele christelijke. Het goede overwint, het kwade wordt uitgeroeid. Dat het een overstijgende betekenis kan hebben voor eenieder die iets nastreeft, blijkt uit een onderschrift van Van Konijnenburg op een niet-gedateerde tekening met eenzelfde voorstelling: ‘Maak een ideaal tot plicht en tot strijdend zwaard.’ Vanuit deze traditie in zijn werk en betekenis, moet ook St.-Egmond en de Draak (ca. 1926), afgezet tegen middeleeuwse architectuur, bezien worden.
Hendrik Jan Wolter
‘In zijn prachtige doeken, waarop Wolters indrukken van Camogli zijn vastgelegd, bewondert men tevens de fijne, zuivere kleur, het mooi-tegen-elkaar afwegen der coloristische waarden, de voorname compositie. “Vroege ochtend”en vooral “Opkomende sirocco” zijn schilderijen, die door hun bouw, hun gevoelige, maar vaste en rake schilderwijze, hun aangenaam coloriet en prachtig-getypeerde tintelende atmosfeer eerste-rangs-kunstwerken mogen heten.’ Aldus de kunstcriticus Frans Hannema in het Algemeen Handelsblad over een tentoonstelling van Hendrik Jan Wolter (1873-1952) in Moderne Boekhandel te Amsterdam in 1942.
Wolter was toen vier jaar met pensioen, nadat hij veertien jaar lang professor in de schilderkunst was geweest aan de Rijksakademie te Amsterdam. Hij was weer in Laren gaan wonen en werd in toenemende mate geteisterd door buien van depressiviteit, die hem uiteindelijk belemmerden te schilderen.Wolter werd geboren te Amsterdam, maar verhuisde met in 1885 met zijn familie naar Amersfoort, waar zijn vader een installatiebedrijf dreef. Hier doorliep hij de HBS en werd in 1895 als student toegelaten aan de Académie des Beaux Arts te Antwerpen. Het jaar daarop deed hij toelatingsexamen voor het Institut Supérieur, waar hij de beschikking kreeg over een eigen atelier. Door de toekenning van een Koninklijke Subsidie kon hij drie jaar lang in Antwerpen blijven studeren. Na een vervolgopleiding in Parijs, waar hij vooral de impressionisten rond Alfred Sisley (1840-1899) bestudeerde, keerde hij in 1899 naar Nederland terug en richtte in Leusden bij Amersfoort zijn eigen atelier in. Hier schildert hij vooral figuurstukken.Met zijn vrouw Koosje van Hoorn verhuisde hij in 1904 naar Laren in ’t Gooi, waar hij vooral plein air werkte. Zijn Gooise onderwerpen wisselde hij af met riviergezichten. Het water bleef sindsdien een belangrijk rol spelen in zijn werk. Toen hij terugverhuisde naar Amsterdam ontstond hier een unieke reeks Amstelgezichten. Maar ook in het buitenland trok hij naar schilderachtige havenplaatsen. Tussen 1908 en 1914 werd hij bijvoorbeeld getrokken naar de vissersplaats Polperro in Cornwall, maar ook door de Theems in Londen.Veel van Wolters schilderijen worden gekenmerkt door een hechte compositie, vaak bijna fotografisch opgevat, een sterk kleurgebruik, waardoor licht- en donkercontrasten en tintelend zonlicht op het water zeer goed uitkomen, en een uitstekende beheersing van het métier. Zo schilderde hij zowel op een klassieke wijze, als ook in een divisionistische techniek à la Théo Van Rysselberghe (1862-1926) en Georges Lemmen (1865-1916), maar hij was tevens een goede tekenaar en aquarellist. Dat ontging de recensenten van zijn tijd ook niet en vóór 1920 werd hij doorgaans in één adem genoemd met belangrijke moderne schilders als Jan Sluijters (1881-1957), Jan Toorop (1858-1928) en Leo Gestel (1881-1941). Hij was dan ook meerdere zomers te gast bij Toorop in Domburg, waar deelnam aan de exposities op het duin. Ook schilderde hij tijdens die gelegenheden onder andere in Zierikzee en Veere.Toen Wolter in 1924 werd aangesteld als hoogleraar aan de Rijksakademie, raakte het schilderen door tijdsgebrek op de achtergrond. Tijdens lunchpauzes ontvluchtte hij het academiegebouw nog wel eens met zijn schilderskistje voor plein-air-studies. Een zo’n kistje had hij speciaal vervaardigd voor vlotte buitenstudies en kon hij met een hand vasthouden, terwijl hij het deksel als palet gebruikte. Het kistje had een afmeting van 22 bij 27 cm. en hierin paste een dun houten paneeltje, waarop hij snel en doeltreffend zijn impressie in olieverf aanbracht. Afgaand op het formaat van het fraaie Magere Brug te Amsterdam (p. **), is dit werkje tijdens zo’n actie tussen de colleges door ontstaan.Na zijn pensionering kreeg hij weer meer tijd om naar zijn geliefde mediterrane landen te reizen. Hij verhuisde zelfs langere tijd naar Rome om, gedwongen door de uitbrekende oorlog, in 1938 weer terug te keren naar Nederland. Tijdens deze Italiaanse periode zal ook Binnenhaven van Comogli met opkomende sirocco ontstaan zijn. Het is een uitgesproken Wolter-schilderij: de hoge Italiaanse huizen aan de haven die een intiem stadsgezicht afbakenen, de fraaie zeilschepen die naast elkaar zijn afgemeerd, de levendigheid op de boten en aan de kade, de wolkenlucht en het water op de voorgrond, alles gehouden in zijn typerende blauwen en bruinen.Het stadsgezicht uit Nice ontstond iets later, maar geeft dezelfde Zuidelijke atmosfeer weer. Tot de laatste schilderijen behoort zijn Gezicht op Manhattan, een impressie van een bezoek aan New York in 1946. Beide schilderijtjes zijn plein air ontstaan, vanuit hetzelfde schilderkistje zoals boven werd beschreven.